ICT en kinderen; gevaren of kansen. Ad Bakker

ICT & kinderen: gevaren of kansen? 

Samenvatting

 De kans dat bovenstaande krantenkoppen gaan over jongeren bij ‘ons’ in de straat, op school, binnen ‘onze’ instelling of zelfs in ‘ons’ gezin, wordt steeds groter. Tv-programma’s als Nova, Zembla en Netwerk bieden regelmatig ruimte om items te maken over de gevaren van ICT (informatie en communicatietechnologie) of misschien beter: de multimediale wereld. In deze items wordt zijdelings duidelijk dat deze betrekkelijk nieuwe wereld (20-25 jaar) juist omdat er zo veel mogelijk is, ook heel veel kansen biedt. Mensen geboren voor 1980 beschouwen de multimediale wereld als een aanvulling. Voor de jongeren, adolescenten, jong volwassenen is het echter een geïntegreerd onderdeel van hun leefwereld.  Martine Delfos heeft de laatste jaren onderzoek gedaan naar deze nieuwe wereld: ‘de vierde wereld’. Haar benadering gaat uit van kansen. Zorg dat je begrijpt hoe de jongeren met die voor hen zeer reële wereld omgaan en benut de kansen die het biedt. De kennis en vaardigheden van de multimediale wereld van de jongeren zijn vaak niet bij te benen voor opvoeders. Je er daarom maar niet mee bemoeien is voor Delfos geen optie. De kans voor de opvoeders is opvoeden tot veilig gebruik van de multimediale mogelijkheden.  

Inleiding 

In oktober 2007 heb ik een lezing bijgewoond van Delfos. Zij is oprichter van het PICOWO (Psychologisch Instituut voor Consultatie, Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek) en schrijfster van onder andere enkele boeken over communicatie met kinderen en pubers/ adolescenten. Zij houdt zich de laatste jaren ook bezig met het onderwerp ICT en jongeren.  Haar beschrijving van een virtuele wereld waarin jongeren zich bewegen spreekt mij aan vanwege de positieve benadering die er uit naar voren komt. In reactie daarop heb ik enige tijd in de media artikelen gezocht die verband houden met ICT  en jongeren. Stuk voor stuk gaan ze in op gevaren dan wel negatieve gevolgen van het gebruik van alle ICT-diensten en -producten die de jeugd tot haar beschikking heeft. Delfos ontkent dit negatieve beeld betreffende ICT & kinderen niet. Ze geeft echter naast verklaringen van dit negatieve beeld ook handvatten om dat beeld om te buigen naar een positieve benadering van ICT & kinderen.  

Vier werelden 

Ikzelf ben in de tachtiger jaren opgeleid met het beeld van de zich steeds uitbreidende leefwereld van kinderen. Deze valt onder te verdelen in drie werelden.
De eerste is de wereld van het gezin waarbinnen een kind geboren wordt.  Deze wereld wordt uitgebreid met die van de peuterspeelzaal en de scholen, de tweede wereld. Vervolgens komen de kinderen in aanraking met de derde wereld, die van de verenigingen, clubs en het buiten spelen met vriendjes. Deze drie werelden zijn weliswaar van elkaar te onderscheiden, maar gaandeweg gaan ze door elkaar heen lopen. De eerste wereld is niet meer zo eenduidig als vijftig jaar geleden. Andere gezinssamenstellingen dan vader, moeder en een aantal kinderen, komen steeds vaker voor. Meer en meer kinderen worden geboren binnen samengestelde gezinnen of komen daar door scheiding van hun ouders mee in aanraking. De maatschappelijke ontwikkelingen in de zestiger en zeventiger jaren met onder andere veel meer aandacht voor het individu, heeft een mondiger en kritischer generatie voortgebracht. De kinderen van deze generatie, de mensen geboren na 1980, zijn vervolgens vanuit diezelfde ideeën grootgebracht. Daardoor bewegen deze jongeren zich veel vrijer, kritischer en individueler binnen hun drie werelden dan hun ouders en grootouders. De wijzigingen in de eerste leefwereld hebben een zelfbewustere, individualistischer  ingestelde generatie voortgebracht. 

 “De duidelijkheid van de verzorgende bad-bed-brood-opvoeding met de eenduidige opvoedkundige regels van rust-reinheid-regelmaat van de eerste helft van de vorige eeuw is verdwenen. De welvaart van de periode na de Tweede Wereldoorlog haalt de zorg voor de eerste levensbehoeften weg. Er komt ruimte voor meer. We kunnen nauwelijks kiezen uit het enorme aanbod. Het gevolg is dat we kinderen dan maar zo veel mogelijk aanbieden.’ Kinderen krijgen niet meer de tijd om alle nieuwe prikkels via herhalen, imiteren en uitproberen in een samenhangend geheel te plaatsen. Ze krijgen niet de tijd voor rijping van alle indrukken.” (Delfos, 2006, blz. 14-15) Het onophoudelijk aanbieden van ‘uitdagend materiaal’ gaat voorbij aan de natuurlijke vorm van leren -door rijping- van een kind vanuit zichzelf.” (Delfos, 2006, blz. 26) 

De nog steeds groeiende welvaart geeft de kinderen steeds meer mogelijkheden. Ze hebben de laatste vijf tot tien jaar steeds meer geld te besteden dan de generaties daarvoor. Ook daarin hebben ze steeds meer onafhankelijkheid verkregen. Financiële onafhankelijkheid ten opzichte van hun ouders/opvoeders maakt ze nog weer kritischer en mondiger. De opvoeding van jongeren is vanaf de Tweede Wereldoorlog (WO II) complexer geworden. Door hun toegenomen zelfstandigheid en mondigheid, zowel als mens als ook financieel,  is de zorg verschoven van de duidelijke verzorgingsgerichte opvoeding van voor de WO II naar ‘zelfverantwoorde zelfontplooiing’, zoals Langeveld dat beschrijft. De mogelijkheden zijn voor handen dus gaan jongeren gewoon verder.

 Het opvoeden is het pedagogisch ingrijpen, in liefde en vertrouwen, dat gericht is op zelfverantwoorde zelfbepaling.”(Langeveld, 1968) 

Nogmaals een definitie van opvoeding van Langeveld (1905-1989). Het is de basis waarop veel onderwijsmensen van dit moment, hun pedagogiek bestudeerd hebben.  

Langeveld stelt vast dat opvoeding plaats vindt, waar kinderen en volwassenen met elkaar omgaan. Deze op het eerste gezicht vanzelfsprekende constatering verwijst echter naar een aantal belangrijke categorieën in de opvoeding, namelijk die van gezag en verantwoordelijkheid. Omdat deze in de omgang tussen kinderen onderling ontbreken, kan daar nimmer sprake zijn van opvoeding.Opvoeding omvat het bewuste, intentionele beïnvloeden door de opvoeder, maar ook de vanzelfsprekende, onverstoorde omgang tussen kind en volwassene, waarin de laatste vooral een voorbeeldfunctie vervult voor de eerste.(naar Langeveld, 1971  blz. 29-56)

 Delfos (2006) bespreekt in haar Comeniuslezing onder andere de Afrikaanse benadering van opvoeding. Het op het Afrikaanse continent algemeen bekende gezegde ‘It takes a village to raise a child’ (je hebt een dorp nodig om een kind op te kunnen voeden) geeft nog maar weer eens aan dat bij opvoeden alle hulp welkom is. De relatief kleine gemeenschap van een heel dorp kan daar voor ingezet worden. De knowhow is binnen het systeem van het dorp voorhanden.  De enorme welvaart, de individualisering en de mobiliteit van Westerse maatschappijen is er de oorzaak van dat die natuurlijke opvoedingsverhoudingen er niet of nauwelijks meer zijn. De opvoedkundigen hebben de plaats ingenomen van de in een kleine gemeenschap als vanzelfsprekend aanwezige opvoedkunde bij grootouders en andere ouderen. Vele bladen en columns worden volgeschreven met goedbedoelde adviezen. Er wordt zo echter weinig ruimte meer gelaten aan de opvoeders zelf. Deze kunnen zelfs te maken krijgen met allerlei gevoelens van onzekerheid en schuld, omdat hun kind nog niet ‘dit’ kan of nog niet ‘zus’ doet.Het kijken naar de individuele belevingswereld van hun kind en op basis daarvan het opvoedkundige plan trekken zoals Langeveld het in de tweede helft van de vorige eeuw beschreven heeft, staat daarom onder druk. Ouders worden onzeker, omdat hun kind ‘nog niet’ rolt, kruipt, praat of zindelijk is. De over het algemeen geldende leeftijd voor het ‘kunnen’ van iets, wordt als vaste norm ervaren. De definitie van Langeveld heeft een ‘update’ nodig. Delfos komt tot de volgende ‘definitie’ van opvoeden: 

“Het opvoeden van kinderen betekent voorwaarden scheppen om hun welzijn te bevorderen door hen op een bodem van voedsel, liefde en veiligheid via hun eigen exploratie de kans te geven hun mogelijkheden optimaal te ontwikkelen tot een maatschappelijk en sociaal functionerend wezen.”(Delfos, 2006, blz. 46)  

Als een kind geboren wordt is dat uiteraard in de eerste wereld. De opvoeders van dit kind introduceren het in de opvatting van Langeveld, in liefde en vertrouwen, in de loop der jaren in de tweede en de derde wereld. Delfos voegt er aan toe dat het welzijn van het kind heel belangrijk is en noemt het meenemen van het kind naar de andere werelden de kinderen laten exploreren vanuit een basis van voedsel, liefde en veiligheid. Het samenvoegen van de beide definities van opvoeden geeft de volgende omschrijving:  

Als opvoeder heb je de verantwoordelijkheid en om voorwaardenscheppend op te voeden. Kinderen vrij laten exploreren binnen steeds wijder wordende kaders. Kaders die in eerste instantie gesteld worden door de opvoeder, maar naar mate de kinderen meer aankunnen, steeds meer in overleg mèt die kinderen. Zij krijgen op die manier de mogelijkheden zich optimaal te ontwikkelen tot een maatschappelijk en sociaal functionerend wezen. 

En dan is de opvoeding klaar? Nee. Omschrijvingen als ‘voorwaardenscheppend’, ‘wijder wordende kaders’, ‘overleg’, ‘ontwikkelen’ en ‘mogelijkheden’ geven stuk voor stuk aan dat opvoeden een proces is. De maatschappij verandert, dus de manier waarop opgevoed kan of moet worden verandert mee. De technische ontwikkeling in de Westerse wereld die ingezet is in de 19e eeuw met de ontdekking van stoom als energiebron, is niet meer te stoppen. Van agrarische samenleving via stoom, elektra en elektronica ontwikkelen naar een hoogontwikkelde industriële samenleving binnen 100 tot 150 jaar is enorm. Opvoeding en onderwijs lijken achter deze ontwikkelingen aan te hollen. De maatschappelijke bewustwording en het losmaken van de agrarische samenleving die ook nog eens sterk religieus van aard is, is na de Tweede Wereldoorlog pas goed op gang gekomen. Individuele ontplooiing is het toverwoord. De roerige 60-er jaren zijn daarvan het (logische) gevolg.De nieuwe ontwikkelingen volgen zich steeds sneller op, zowel op het technische als op het sociaal-maatschappelijke vlak. De naoorlogse generatie heeft de maatschappij laten ‘schudden op z’n grondvesten’. Een kritische, zelfbewuste, over het algemeen hoger opgeleide, op het individu ingestelde generatie komt eind jaren 70 begin jaren 80 in aanraking met weer een nieuwe ontwikkeling: ICT. Een nieuw fenomeen dat zich razendsnel ontwikkelt van een speeltje van de ‘innovators’ via ‘early adopters’, ‘early’ en ‘late majority’, en tenslotte de ‘laggards’ een weg gebaand heeft naar de hele maatschappij. (Rogers, 1962,1995) De kinderen van deze generatie, die naast de door hun ouders bevochten individualiteit ook nog eens kunnen beschikken over meer geld dan welke generatie voor hen, omarmen de ICT-wereld. Voor hun ouders nog een aanvullende nieuwe wereld, geïntroduceerd via de boekhoudcomputers op het werk. Voor de nieuwe generatie een nieuwe wereld die dwars door de ander drie heen gaat. Een nieuwe wereld waarbinnen deze en de komende generaties gaan exploreren, als volledig geïntegreerd onderdeel van hun bestaan. Een aantal lijkt er zo mee verweven dat hun identiteit versmelt met de digitale wereld tot ‘idendigiteit’. Zonder mobiel met de nieuwste ‘gadgets’ en een ‘first-class’ laptop weten ze niet wat ze moeten doen……. Een nieuwe wereld met zo veel invloed, dat Delfos in mijn ogen terecht spreekt van een vierde wereld. Het grote verschil met de eerste drie is dat het er niet achteraan komt als vierde, maar in iedere wereld verweven zit. In elke wereld komen de kinderen vormen van ICT tegen. Kleuters die een computermuis beter hanteren dan de juf op school zijn geen uitzondering meer.    

De vierde wereld en opvoeding 

‘Wat een boer niet kent, dat eet hij niet.’

ICT was en is nog steeds bij veel mensen van voor 1980 onbekend. Er komt iets onbekends en nieuws aan. Wat moeten we, wat moet ik er mee? Moet ik er wat mee? De onderzoeken die ik hieronder aanhaal geven aan dat ik er wel wat mee moet, omdat de multimediale wereld mij anders aan alle kanten inhaalt. De ontwikkelingen op het gebied van computers en alles wat er omheen gebeurt, gaan erg snel. Zo snel dat denken over ICT en de mogelijke toepassingen en zelfs wetgeving niet gelijke pas kunnen houden. De invloed die ICT heeft op kinderen is de laatste 5-8 jaar steeds opnieuw onderwerp van onderzoek. In 2000 en 2007 zijn er twee grote onderzoeken geweest van het SCP. In beide onderzoeken wordt geïnventariseerd wie in het bezit is van en toegang heeft tot ICT-producten en mogelijkheden. De ontwikkeling in de ICT-wereld wordt direct al zichtbaar in de verdere vraagstelling. In 2000 vraagt men zich nog af welke sociale verschillen het bezit en gebruik van ICT-producten verklaren. In 2007 is dat al niet meer aan de orde. Vrijwel iedereen is in het bezit van ICT-producten en heeft de mogelijkheid tot onbeperkte toegang tot internet. Dit onderzoek gaat echter verder.  Het vergelijkt ouders en tieners op het gebied van ICT en vaardigheden. Vervolgens wordt ‘ICT en communicatie’ tegen het licht gehouden. ‘ICT en veiligheid’ is het laatste onderwerp. Wat mij verder opvalt is de leeftijdsgrens in de onderzoeken. De tieners zijn de eerste leeftijdsgroep waar cijfers over gepresenteerd worden. De basisschoolleeftijd blijft in het kader van de genoemde onderzoeken buiten beeld. Een verklaring hiervoor kan zijn dat op de leeftijdsgrens van ca. 12-13 jaar de puberteit begint. De jongeren gaan vanaf de derde wereld ten volle exploreren. De basis van ‘voedsel, liefde en veiligheid’ is gelegd. De kaders worden al dan niet in overleg, wijder gezet. Nu gaan ze op pad om na ‘herhalen en imiteren te gaan uitproberen’ (Delfos). Ze zijn meer in gezelschap van hun vrienden. Ouders/ verzorgers die verzuchten dat hun huis geen hotel is, zijn kenmerkend voor deze periode. Volgens de definitie van Langeveld kan er tussen kinderen geen sprake zijn van opvoeden, vanwege het ontbreken van gezag en verantwoordelijkheid; leren doen ze wel van elkaar. Vanwege de puberteit hebben ouders/ verzorgers minder invloed.  In december 2007 heb ik op twee scholen in totaal 20 kinderen van groep 8 gevraagd een week lang een dagboek bij te houden. De opdracht is heel bewust algemeen geformuleerd. Heel bewust omdat ik de kinderen niet wil focussen op computergebruik. Een medestudent gebruikt dezelfde dagboeken voor het bekijken van de sociale contacten van deze kinderen; ik heb gekeken naar het gebruik van de computer.Het blijkt dat er heel weinig computertijd is waar te nemen. Een enkele conclusie die uit het SCP onderzoek van 2007 naar voren komt is wel waarneembaar. Als er computeractiviteit is dan is dat bij jongens het spelen van spellen en bij meisjes MSN’en. De kinderen leven nog heel sterk in de eerste leefwereld (thuis) met daarnaast natuurlijk de tweede (school), waarin het beoordelen van leerkrachten bij een aantal belangrijk genoeg is om op te schrijven. De derde wereld wordt beheerst door het bezoeken van sportclubs, scouting en meer van dergelijke activiteiten. Veel activiteiten die nog ouder-/ opvoedergestuurd zijn. De door Delfos geïntroduceerde vierde wereld is in deze groep kinderen niet zo waar te nemen. Als het er is dan nog vaak als het opvullen van wat ‘verloren tijd’. “Nog even op de computer voor we gaan eten.”De leeftijdsgrens van 12-13 jaar lijkt een zeer relevante voor het onderzoeken van ICT & kinderen. Vanaf die leeftijd wordt het gebruik van alle ICT-mogelijkheden zichtbaar en is dus via onderzoek goed in kaart te brengen.          

Conclusie 

Tv-programma’s als Zembla, Nova en Netwerk hebben de laatste jaren regelmatig aandacht besteed aan problemen die verband houden met het toenemend gebruik van ICT-toepassingen door jongeren. Jongvolwassenen, die met volle teugen genieten van de vrijheidsdrang, het schoppen tegen alle regels van hun ouders/ verzorgers, rebelleren tegen van alles en nog wat. Zoeken, vinden, verwerpen van allerlei denkbeelden. Steeds weer opnieuw.Voor de jongeren ‘een ideale periode’ om de weg kwijt te raken. Ook op het gebied van ICT. Vandaar de negatieve berichtgeving, zoals die naar voren komt in de krantenkoppen aan het begin van dit artikel. Vandaar de tv-programma’s over de gevaren van internet voor jongeren.Is internet dan alleen maar gevaarlijk? Of liggen hier juist ook de kansen? Voor mij geeft de berichtgeving over de gevaren van internet aan dat het belangrijk is de verantwoordelijkheid (Langeveld) voor ICT-opvoeding voor kinderen in de basisschoolleeftijd te erkennen. Volgens de aangehaalde onderzoeken komt het ICT-gebruik in de leeftijdsgroepen na de basisschool pas echt goed op gang. Met ICT-opvoeding moet je dus niet wachten tot het vervolgonderwijs. Deze opvoeding moet er naar streven om vanuit de veiligheid (Delfos) van de eerste en de tweede wereld de kinderen via herhalen, imiteren en uitproberen de wereld van de ICT op een veilige manier te leren ontdekken en te gebruiken. Er is wel een bemoeilijkende factor. Het is namelijk voor het eerst zo dat de ouder/ verzorger kinderen dient op te voeden met betrekking tot een gebied waar zij als opvoeder minder van af weten dan diegenen die opgevoed worden. Het gevaar van terugtrekken ligt dan op de loer. Zoals hierboven al aangegeven is voor de meeste mensen geboren voor 1980 het hele ICT-gebeuren een toevoeging. Voor de mensen na 1980 is het een geïntegreerd onderdeel van hun leven. Dat is niet in te halen. Het SCP onderzoek van 2007 heeft vijf onderwerpen onderzocht: ICT en bezit, gebruik, vaardigheid, communicatie en veiligheid. Vrijwel iedereen heeft de beschikking over computers en heeft toegang tot internet. Met betrekking tot gebruik en vaardigheden is de laatste generatie (na 1980) veruit de meerdere ten opzichte van hun opvoeders. Voor communicatie is internet voor deze generatie hèt middel. Alleen veiligheid blijft over. Dat lijkt niet veel, maar is wel cruciaal om optimaal gebruik te maken van de kansen die ICT biedt. Kinderen begeleiden naar een veilig gebruik van de multimediale wereld.  Op bladzijde 23 van het SCP-onderzoek van 2007 staat het volgende: 

“De digitale competentie van jongeren levert voordelen op in een samenleving die steeds meer doordrenkt raakt van digitale technologie. Internet biedt nieuwe mogelijkheden tot onder andere sociaal contact, vermaak en economische activiteit. Tieners ontlenen veel plezier aan hun ICT-gebruik, het is nuttig voor school en het is ondersteunend voor hun sociale contacten en voor hun identiteitsexperimenten.Maar er is ook bezorgdheid over de schaduwkanten van de nieuwe technologie. Met de media doen zich nieuwe gevaren voor en rijst de vraag naar de online veiligheid van jongeren.” 

Wanneer de kinderen helemaal ‘los gaan’ op internet, iets wat ze zowel met als zonder ICT-opvoeding zullen doen, kunnen ze dat toetsen aan wat hen aangeboden is op het gebied van veiligheid. Als ouder/ verzorger kun je in discussies met de pubers terugvallen op de ICT-opvoeding gebruikte veiligheidsaspecten van  ICT-gebruik. Op deze manier is de begeleiding niet gericht op wat wel en niet mag, maar op een derde, ander aspect: de veiligheid van de jongvolwassene. Daardoor zal het vaker mogelijk zijn de dialoog met de jongvolwassenen open te houden. De komende jaren zal meer ingezet moeten worden jongeren veilig te leren omgaan met alle multimediale mogelijkheden. Het zwaartepunt moet dan liggen bij kinderen van de basisschoolleeftijd. Tevens zullen ouders/ verzorgers er van doordrongen moeten raken dat zij het zijn die het veilig gebruik van internet door hun kinderen in handen hebben. Op deze manier zullen de kinderen optimaal gebruik kunnen maken van alle kansen die ICT biedt.   G. Bakker 24 maart 2008                                    

Geraadpleegde literatuur  

boeken 

Delfos, M.F. (2006)  Het maakbare kind. SWP, AmsterdamDijk, L. / Haan, J. de. / Rijken, S. (2000) Digitalisering van de leefwereld. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den HaagDuimel, M. / Haan, J. de. (2007) Nieuwe links in het gezin. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den HaagLangeveld, M.J. (1971) Beknopte theoretische pedagogiek. Wolters-Noordhoff, GroningenMiedema, S. (1997) Pedagogiek in meervoud. Bohn Stafleu Van Loghum, HoutenRogers, E.M. (1962/1995) Diffusion of innovations. The free press, New York  

artikelen Dr. M.F. Delfos. Seminar 6 november 2007 PICOWO/PAO-GITP: Kinderen en jongeren in de virtuele wereld    

websites / tv-uitzendingen  http://www.mdelfos.nl Netwerk, 17 juli 2003: Jongeren kwetsbaar op internetNetwerk: Jongeren kwetsbaar op internet.Nova, 16 november 2005: De gevaren van seks via de webcamNova: De gevaren van seks via de webcam.Nova, 1 juni 2006: Kwart van jongeren doet aan cyberseksNova: Kwart van jongeren doet aan cyberseks.Zembla, 12 mei 2005: De jungle van de tienerseks Zembla: De jungle van de tienerseks.  overig: Dr. M.F. Delfos. 24 oktober 2007. Lezing te Enschede in kader van project Virtueel Leven Enschede  

Plaats een reactie

Required fields are marked *
*
*

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.